De Storm Op Het Meer Van Galilea, Delen 2 En 3
Tweeledige kunstinstallatie van Kasey Smith die het lot van de gestolen Rembrandt onderzoekt
"The people that took these paintings don't have them hidden in some private art gallery, sitting back and just reveling in their beauty. These paintings are most likely up in an attic somewhere, or in a basement, not being viewed by anyone." – FBI Special Agent Geoff Kelly
Het eerste deel in de reeks Storm op het Meer van Galilea ging over de manier waarop we met verlies omgaan. De nadruk lag daarbij op de nasleep van de diefstal van het schilderij in 1990 en de wijze waarop het Isabella Stewart Gardner Museum daarop reageerde in zijn curatoriële keuzes. Het tweede en derde deel gaan over hoe het onvermijdelijke verdriet om dat verlies na verloop van tijd bezit van je neemt; doordat de diefstal niet tot een afsluiting is gekomen, blijft een eenvoudige emotionele verwerking uit.
In het eerste werk is touw het overheersende materiaal. En wat doet touw? Het bindt, verbindt, bevestigt en zet vast. Hier staat het touw symbool voor een poging om het verlies te helen en het schilderij opnieuw te creëren in de taal van herstel – een weerspiegeling van hoe het museum het groene damast voor soortgelijke doeleinden inzette. In het tweede en derde werk wordt vooral gebruikgemaakt van kartonnen kokerbuizen voor posters. Dat lijkt misschien een onverwacht materiaal voor 'grote, serieuze kunst' die over 'grote, serieuze kunst' gaat, maar het werkt wel binnen de context van de geschiedenis van het schilderij. Want terwijl de symboliek van het touw een brede lading dekt, vormen de kokers een uiterst gerichte metafoor voor het verlies en de vermeende vernietiging van juist dit specifieke schilderij. Een schilderij dat in 1997 naar verluidt werd getoond aan een onderzoeksjournalist; hij beweerde dat het opgerold in een grote kartonnen koker werd bewaard.
In het tweede werk zien we hoe het geraamte van het eerste stuk – de gouden lijst en het groene damast – uiteengereten wordt, terwijl de angst voor verlies naar buiten breekt en zich niet laat sussen. De rand van het damast is aan flarden gescheurd en hangt los van de lijst; de draden en de schering zijn verworden tot losse einden in plaats van samenbindende verbindingen. Het borduurwerk in de negatieve ruimte, dat centraal stond in het eerste werk, heeft plaatsgemaakt voor een reeks schilderingen op kartonnen kokers; deze barsten als een opdringerige gedachte uit het damast tevoorschijn. Net als de gerafelde rand van het damast raken ook deze schilderingen in verval en verliezen ze hun vorm. De verf 'smelt' langs de kokers naar beneden – kokers die hun bestaansrecht, namelijk het omsluiten, beschermen en veilig bewaren, niet langer waarmaken. Ongehinderd verspreidt de verf zich in verwoestende stroompjes over het damast, de lijst en de draden.
In het derde werk is de overgave aan het verdriet allesoverheersend. De constructie van het eerste en tweede werk is nagenoeg verdwenen en gereduceerd tot een voering van groen damast in een eenvoudige kartonnen opbergdoos. Door het werk van de muur te halen, wordt het losgemaakt uit de begrijpelijke wereld van de schilderkunst – van Rembrandts. Nu de thematiek nog verder is geabstraheerd en versnipperd over een nog groter aantal kokers, roept het geheel een beeld op van de opslagruimte of zolder waar het originele Christus in de storm op het Meer van Galilea zich waarschijnlijk bevindt. Het is iets vergeten, iets verloren. Iets dat is losgekoppeld van de vorm en functie van de schilderkunst en is weggestopt in de stille, stoffige marges.
En op beide werken is tussen de buizen een verstekeling te zien. Net zoals Rembrandt zichzelf in Christus in de storm op het Meer van Galilea schilderde, zo heb ik mezelf ook in deze schilderijen verwerkt. Ik – of zij – zie hoe Rembrandt naar de toeschouwer kijkt. Hoe hij diezelfde toeschouwer betrekt bij het gedeelde lot van de boot – of de wereld – en bij het lot van het verloren gegane schilderij. Ik – of zij – kijk naar hem, naar de kunstgeschiedenis, voor houvast en hulp bij het verwerken van het verlies van het oorspronkelijke werk.